Terug naar archiefpagina Bos van Ypey
Paddestoelenexcursie in het Bos van Ypey - 1 oktober 2005.

Met de Paddestoelenexcursie waren we voor het jaar 2005 alweer bij de laatste rondleiding door het Bos van Ypey aangeland.
Na een uitzonderlijk lange periode van vast en zonnig weer in september, was het een week wat regenachtig en veranderlijk geweest. De herfst was onmiskenbaar begonnen.
Voor paddestoelen overigens alleen maar gunstig - in droge perioden ziet men er niet veel, ze hebben heel veel vocht nodig, en schieten dan letterlijk als paddestoelen uit de grond.
Op zaterdag 1 oktober leek het ook allerminst zeker dat het droog zou blijven, en wij hadden beslist niet zo'n hoge opkomst van belangstellenden verwacht. Er stonden naar schatting zo'n 75 mensen bij de brug op het parkeerterrein te wachten om 2 uur 's middags, mogelijk zelfs meer. Er waren ook veel kinderen bij, en toen men de wandeling begon werd de groep in tweeën gesplitst - Peter van Veen van de Vrienden van het Bos van Ypey ging met de gezinnen met kinderen op weg, terwijl Gosse Haga (paddestoelenkenner, vroeger leraar biologie) met een grote groep volwassenen een andere kant uitliep.
Wij waren bij de laatsten, en vlak naast de brug stond de eerste interessante paddestoel al - Eekhoorntjesbrood. Iemand vroeg of deze eetbaar was voor mensen. Ja, dat wel, zei Gosse, maar alleen als de paddestoel vers is - al na enkele dagen zitten er bacteriën in die hem er niet lekkerder en gezonder op maken. Of eekhoorntjes deze wel wat op grof bruinbrood lijkende zwammen werkelijk lusten,
vertelde hij er niet bij, maar wel dat muizen ze graag eten.
Een Kaneelkleurige melkzwam stond er vlakbij - deze ruikt naar wandluizen, niet echt een smakelijk idee. Melkzwammen heten zo omdat er bij kneuzing melksap uitkomt.
Paddestoelen hebben soms vage namen, zoals Vaag gegordelde gordijnzwam. Deze heeft een min of meer geplooide hoed en vage ringen om de steel. Het "gordijn" slaat echter niet op de plooien, maar is een webachtig vlies tussen de hoedrand en de steel dat in het jeugdstadium ter bescherming dient bij dit type paddestoel.

Ergens in een grasveld stond de Grote oranje bekerzwam, en die was bepaald niet groot te noemen - slechts ongeveer 1 cm in doorsnee, maar ze kunnen veel groter worden. Bekerzwammen hebben een soort schietmeganisme in hun holle hoed, waardoor ze de sporen een eind weg (omhoog) kunnen schieten.
We vonden ook een paar soorten russula's, een zeer grote familie van paddestoelen die vooral wordt gekenmerkt door een witte steel en onderkant, terwijl de hoed van boven mooi gekleurd is. O.a. de Berijpte russula (met grijze hoed) en de Zwart-paarse russula; ze zien er stevig uit met hun dikke stelen, maar zijn in werkelijkheid erg bros zoals op de foto hieronder te zien is.

Er bestaan ook van die heel dunne, ragfijne paddestoeltjes. Vaak zijn die inderdaad erg teer, maar niet de taailingen - hun steeltjes zijn behoorlijk taai en kunnen wel tegen een klein stootje. Aan de naar de vroegere molen die sinds de tachtiger jaren in de Ryptsjerker polder staat genoemde Molenlaan (met hoge linden, langs de weilanden "het Ooievaarsnest" en "it Fjouwerkant" die in Fase 2 van het Plan Groot Vijversburg een facelift zullen krijgen) groeien al sinds 35 jaar de zeldzame Hoornsteeltaailingen, kleine paddestoeltjes die op de "rode lijst" staan. Gosse Haga plukte er wel eentje, voor paddestoelen geldt geen plukverbod. Ze zijn slechts vruchtlichamen van de zwamvlok, een netwerk van schimmeldraden in de grond of boom waarop ze groeien, er komen dus altijd wel weer nieuwe als de omstandigheden niet veranderen.

De Berkenboleet is een typisch voorbeeld van een buisjeszwam. De dikke ronde hoed is van onderen fluwelig zacht en zit helemaal vol minuscule gaatjes, waaruit de sporen komen. Veel andere paddestoelen zijn plaatjeszwammen, zoals bijv. de Vliegenzwam, die we ook tegenkwamen in de buurt van berken. Deze leeft in symbiose met o.a. berken, evenals overigens ook de Berkenboleet.
De Vliegenzwam is dè paddestoel waar iedereen het eerst aan denkt, rood met witte stippen. Hij is erg vergiftig, en werd vroeger gebruikt om vliegen te vangen. Dan smeerde men de hoed in met honing of andere zoetigheid waar de vliegen op afkwamen en die raakten dan door het gif bedwelmd. Het is ook een hallucinerende paddestoel, een "echte paddo" zoals Gosse zei. In verschillende culturen werd (of wordt) de hoed gegeten, soms alleen door de medicijnman of de ziener, om in de toekomst te kunnen kijken. Men beweert dat paranormaal begaafden een ruimer inzicht krijgen als ze onder invloed van de stoffen uit de vliegenzwam verkeren. Maar een beetje teveel van de zwam kan dodelijk zijn.

Veel vergiftiger nog is de Groene Knolamaniet, een minder algemene of in ieder geval op 't eerste gezicht minder opvallende verschijning dan de Vliegenzwam. Een paar happen van deze smakelijke reuzen-champignon met olijfgroene weerschijn zijn absoluut dodelijk. Zeer verraderlijk werkt het gif: na de maaltijd voelt men zich een beetje onlekker, alsof men een griepje heeft opgelopen. Dat houdt een paar dagen aan, maar men knapt weer wat op en denkt dat het leed geleden is. Korte tijd later echter wordt men weer onwel, raakt in coma en wordt nooit meer wakker. Als men voor de tweede keer ziek wordt, is men al reddeloos verloren - ook in het ziekenhuis kunnen specialisten er niets meer aan doen, het gif heeft zich dan reeds in de organen (lever en nieren) van het slachtoffer genesteld en onherstelbare schade aangericht.
We troffen het, dat er een prachtig exemplaar van deze super-vergiftige onder een grote linde stond, in de buurt van het Theehuis. De Groene Knolamaniet leeft in symbiose met o.a. de eik en de linde, die in ons Bos ook volop aanwezig zijn.
Men kan de paddestoelen in drie categorieën verdelen: de symbionten, samenlevers met bomen en andere planten; de parasieten, opvreters die bomen uitzuigen en tenslotte doden, om zich daarna nog tegoed te doen aan de resten; en de saprofyten, opruimers die zich voeden met organisch materiaal op en in de aarde.
De meest giftige paddestoelen die we zagen behoorden juist tot de vreedzame en nuttige samenlevers (de grove boomwortels nemen van nature te weinig voedingsstoffen uit de grond op, terwijl de ragdunne zwamvlokken van de paddestoelen deze makkelijk tot zich nemen, en doorsluizen naar de boom waarop en waarin zij zich hebben gevestigd. In ruil betrekken zij weer sappen uit de boom).

Maar we zagen ook andere, die zich minder vriendelijk opstelden, zoals de Eikhaas, een verzameling bruine hoeden op een vertakte witte steel die op een beuk groeide, en uit de verte wel iets op een haas leek die tegen de boom aanzat. Dit organisme betekent een wisse dood voor de eik of beuk die het met z'n zwamvlok vereert, ook al duurt het soms nog tientallen jaren voordat de boom werkelijk afsterft. De honingzwam is noch beruchter: die doet er slechts een paar jaar over om een boom geheel tegronde te richten. We zagen er geen, maar hoorden een verhaal van één van de aanwezigen, die aan deze zwam een boom was kwijtgeraakt die al meer dan honderd jaar oud was.
Vervolg excursie